Stoperaprofetie
Duizendjarig plein
Open brief
Wederopstanding
Trias musica
 
 

 

 

The window on the west side opens my attic to my fellow citizens: the Dutch. (In fact to the world: the train to the airport is only five minutes away.) From my attic I can see the Old Church (now an exposition hall), the original Amsterdam
stock exchange (now a concert hall) , the stock market, the supermarket, the Royal Palace (the marriage market), the big Drug Dealer (the dream market), and the beautiful girls and boys from the sex market - this is the famous Red Light District. So from my window I have got the Universal Market in one panoramic view:
God, Capital, Commerce, Art, Royalty, Drugs, and Sex.

It's the only place on the planet where you can hear three carillons at the same time, all built by the architect Hemony: Oude Kerk, Palace, and Zuiderkerk. The carillon has already served for four centuries as the largest musical instrument on the planet; it is the authentic Dutch contribution to the 'world-symphony-orchestra'.
My carillon piece Alarm was premièred in 1994 as a trio for these three carillons, linked to each other by telephone. (They are, however, not in tune with each other, as you can hear on the cd) For many Dutch people abroad (like my family in California) the sound of a carillion alone can mean an acute attack of homesickness.
I wrote an essay on the history of our national instrument (in Dutch) in Het Componeren van de Hemel ( see page 149 etc. )

In winter I feed from this window the many hungry gulls.
They are my tough white angels of inspiration.

Because music is a universal language I wrote this website in English - our 'linqua franca' and my second language
(or rather my third, if music is my first language, which it is.)
However some parts are in Dutch, because either they are only of local importance, or because a good translation is not yet available.
This Hour is mainly about local issues.
     

In the nineteen eighties I became very much involved in actions against what became known as the 'Stopera-debacle'. It was the tragic mistake of the Amsterdam city councel to build a new opera house annex townhall, as a typical Dutch compromise (we call it the poldermodel) between politics and art. The BBC called the result A crime against the city!

And that's exactly what it is.
Since my work in the field of opera was officially one of the reasons to build this first opera house in Holland, it was also a crime against me personally - rape, murder, theft, you name it. In the many polemical articles I wrote in the eighties I cursed the whole project, which it deserved. And when it was conceded, after it was unstoppably built, that I was right, I was never forgiven. So the Stopera (stop opera, as the man in the street calls it) pollutes my relation with the city for as long as it stands. All I can do is to dream of the day when it will be demolished, as I describe in my

STOPERAPROFETIE
(published in the local paper Binnenkrant of 8 octobre 2000.)

A more uplifting article is about the recent renewal of the Dam square is:
DUIZENDJARIG PLEIN
(published by NRC Handelsblad of 4 may 2001).


It is followed by an open letter to the homophobic imam of Rotterdam:
OPEN BRIEF
(publised by Trouw of 22 june 2001), and by a 'letter to the editor' about Stockhausen's reaction to 11 September
(see also CLOCKWISE), with the title

WEDEROPSTANDING
(a letter that found no other place than on this site.)

All four articles remain untranslated for the time being and will be followed by more, since the end of history has yet to arrive in my attic.

 

STOPERAPROFETIE

In 2058, als we ruim een halve eeuw verder zijn, is de Stopera eindelijk afbetaald en kan het gedrocht worden gesloopt. Net als bij het Maupoleum in de Jodenbreestraat, zal dat gebeuren tot op straatniveau. Alles daaronder (zijnde het duurst) mag blijven - het is goed genoeg voor de opslag van auto's.
De Stopera, als het poldermodel in architectonische klei-vorm, van de architect die er nog de Prix de Paardelul mee won (paardelul is baksteen in het bouwjargon), zal dan twee generaties lang de gelegenheid gehad hebben de voorbijgangers en gebruikers te banaliseren, te beledigen en te ergeren. Want het compromismodel, het poldermodel, mag dan goed zijn voor de politiek, voor de kunst is het een ramp, zoals al te voorzien was in de jaren tachtig van de vorige eeuw. Toen stortte het denkende deel van de stad zich als een man op de maquette, huilend, vloekend, schreeuwend van wanhoop. De grootste Nederlandse architect voerde hen aan en sloeg het model aan barrels. 'Kijk', zei wethouder Sinnighe, de latere intendant van het gedrocht, 'daarom vragen wij u ook nooit, meneer van Eyck!' Z'n triomfantelijke grijns zie ik nog voor me.

Twee generaties gebouwde treurnis op de gevoeligste plaats van de stad, daar waar de rivier de onaantastbare grachtengordel binnenstroomt. Kan het barbaarser?
Neen!
Daarom werden de beide archtecten (wier namen ik nu even kwijt ben) in 2048 nog op hoge leeftijd uit hun misselijkmakende maffiavilla's gesleurd, om voor een Internationale Hof in Den Haag te verschijnen, en te worden veroordeerld voor 'misdaden tegen de cultuur'. De BBC-getuige riep de wereld opnieuw toe:
"the Stopera is a crime against the city!".
Er volgden zware straffen, want misdaden tegen de cultuur verjaren evenmin als die tegen de menselijkheid.
Maar toen de rommel eenmaal was opgeruimd, in 2060, kwam de weg vrij om op deze plek een schitterende, levenslustige, de mensen uit hun gerief rukkende opera te bouwen, die geopend werd met Houdini.
Leve de toekomstdroom!

foto: Nienhuis
    Note:
Na dit stukje zal ik het nooit meer over de Stopera hebben, dat beloof ik mezelf.

Duizendjarig plein

Het is al enige tijd zichtbaar dat de inmiddels een half jaar aan de gang zijnde verbouwing van het Damplein een groot succes wordt. Voor het eerst in zijn lange en grillige geschiedenis wordt het plein een eenheid, een kamer in de stad die een grote menigte kan bevatten - een nieuwe agora. Dit wordt voornamelijk bereikt door een pleinbreed tapijt van blauwgrijze en zachtgele natuursteentjes die in Portugal uit de rotsen zijn gehakt en hier tot in alle uithoeken van het plein in waaiervormige mozaieken zijn vastgelegd.
De tramrails zijn in dit tapijt meegemetseld
( wat ook een welkom geluiddempend effect heeft)
en de bovenleidingen worden tussen de tien schitterend omhoog priemende zilverstalen lichtmasten gespannen ( die samen met de spiegelende stoeplantaarns en passant het protserige belichtingsgeknoei op Damrak, Rokin en Nieuwmarkt genadeloos ontmaskeren.)
De kleine marmeren zitbankjes komen terug maar verder is alle straatmeubilair zoveel mogelijk weggelaten - less is more.
De verschillende verkeersstromen - trams, voetgangers, auto's en fietsers - zijn gescheiden door lage, brede stoepranden van lichtbeige natuursteen, door hardstenen zebrapaden en in wit marmer uitgezaagde fietsprofielen.
Alles ademt duurzaamheid en is door een legertje vaklieden met de hand gelegd. Het is of het plein zijn uiteindelijke vorm na een half millennium zoeken tenslotte gevonden heeft.
De revolutionaire metamorfose van verkeersplein tot bezoekersplein - het plein is er niet langer ten bate van het verkeer,maar andersom - is mede gelukt door de opoffering van een strategisch deel van de rijweg ten bate van terrassen in de zon.
Voor de afwatering heeft het plein een fraaie bolling gekregen, als van een eierschaal, waardoor het regenwater naar smalle stalen gootjes wegvloeit en het groffe vuil overblijft voor de straatstofzuigers.
Aan de kant van het Monument zijn zeventien acacia's geplant met tussen de wortels gevlochten brede, met cocos omwikkelde slangen - voor de beluchting onder de eierschaal (waar zich ook alle technische en electronische voorzieningen bevinden.) Het grondwater kan voor voldoende vocht voor de bomen zorgen.

Door deze grootse, 35 miljoen gulden kostende operatie is het hele plein nu zelf een monument geworden, met drie duidelijke spanningsvelden: het republikeinse Stadspaleis, de torenloze Nieuwe Kerk en het Nationale Monument.
Dit zijn de drie protagonisten uit een historisch drama. Naast hen scharen zich de verschillende personages uit het dagelijks leven om het plein, de een architectonisch wat beter geslaagd dan de ander: de bank, het warenhuis, het kantoor, het hotel, het kledingmagazijn en de reisburo's.
Het Stadspaleis stamt uit de tijd dat voor het eerst in de geschiedenis een republikeinse staat de Kerk terzijde schoof, waardoor de bloedig bevochten scheiding tussen kerk en staat mogelijk werd die nu overal in Europa (behalve natuurlijk in Vaticaanstad) een heilzaam feit is. (Daarop kwam 'slands kardinaal bij onze premier onlangs nog een kopje koffie drinken.)
De Nieuwe Kerk is de inmiddels volkomen geseculariseerde ruimte waarin op prachtige tentoonstellingen de verschillende wereldreligies hun emancipatie tot kunst laten zien. Inderdaad: 'de weg naar de hemel', zoals de nu lopende tentoonstelling heet.
Tegenover deze beide actoren staat, in zijn zes zwartgranieten ringen monumentaler dan ooit, het Monument voor de doden, het oorlogsmonument waar de politieke rituelen plaats vinden. Door de geslaagde opheffing van de tweedeling van het plein is het Monument nu het centrale punt in de ruimte geworden. Het hele plein zelf is daarmee het Monument:

Een monument om duizend jaar te gedenken
dat wij in de twintigste eeuw op het nippertje
en zonder veel eigen verdiensten
aan de hel van het Duizendjarig Rijk ontkomen zijn.

Zo'n ultieme plek, midden in een levende en bloeiende gemeenschap, zou in meer godsdienstige tijden 'heilig' genoemd worden - en als zodanig behandeld.
Vooral sinds de grote Wereldoorlogen 1914-1989 (Eerste, Tweede en Koude) zijn de mensen monumenten gaan oprichten niet zozeer om overwinningen te vieren als wel om de onvoorstelbare ellende niet te vergeten, zoals men van nature geneigd is te doen. Monumenten zijn er niet 'om te prikkelen en te confronteren', zoals onlangs bij de plannen voor een slavernijmonument nog werd aanbevolen (want zoiets is, net als alle modeverschijnselen, al snel uitgeprikkeld) maar monumenten zijn machines tegen het vergeten De manier waarop mensen ermee omgaan is bepalend voor hun beschaving.
De politieke rituelen bij het Monument zijn nog steeds door en door gemilitairiseerd, zoals onlangs bij de eerste kranslegging (die van de Turkse president) op het nog onvoltooide plein te zien was.
Ook de Dodenherdenking, het belangrijkste en meest zinvolle ritueel van het jaar, wordt gekenmerkt door uniformen , veel vertoon van krijgshaftigheid en de onvermijdelijke 'nooit meer!'-toespraken. Men is nog steeds de Tweede Wereldoorlog aan het winnen. Dit zal wel zo doorgaan tot de laatste veteraan langs is geweest, maar daarna zal men toch moeten proberen het ritueel te vernieuwen en te demilitairiseren.
In de veertig jaar dat ik als buurtbewoner de Dodenherdenking op de Dam heb meegemaakt (al was het alleen maar om twee minuten de ongelofelijke, door mensen gemaakte stilte te beleven) heb ik altijd meelij met de bloemen gehad. Zoals die behandeld worden - dat went nooit. Ze worden daar maar braaf neergelegd, onzichtbaar in hun verpakking, om de volgende dag snel te verleppen tot 'de afgesneden geslachtsdelen van planten' die het dan zijn geworden.
Waarom staan er geen aarden kruiken met water waar de mensen hun bloemen in kwijt kunnen zodat die, anders dan degenen die herdacht worden, op hun eigen tijd kunnen sterven? En waarom geen vruchten neergelegd, voor bezoekers, zwervers en daklozen? Het zou het ritueel zoveel inleefbaarder maken voor de velen onder ons die uit zuidelijker culturen afkomstig zijn.
En waarom niet meer met muziek gedaan? Men zou met de akoestiek van het plein quadrofonische koralen ten gehore kunnen brengen met de vele buitenorkesten, de vele symfonische harmonieorkesten die ons land rijk is - vraag maar aan Kerkrade. Twee orkesten aan weerzijden van Paleis en Monument. Daarbij zouden de onovertrefbare koraalbewerkingen van Bach uit het begin van de Verlichting wat mij betreft nooit mogen ontbreken. Naast natuurlijk nieuw werk, uit alle windstreken.

Doordenkend in deze richting is het bericht dat de gemeente van plan is om na de Dodenherdenking de kermis op het nieuwe plein te pleuren bijna niet te geloven! Vanwege de poen, natuurlijk. De gedoogpest van het consumentisme, de geestelijke mond- en klauwzeer van de commercie heeft Damrak en Rokin al in z'n greep - nu is de Dam aan de beurt.. Wie van de gemeentelijke Stoperaliefhebbers het op z'n geweten heeft het meesterwerk van Simon Sprietsma en de zijnen op de meest bijzondere plek van het land zonder dralen te ontwijden met een platte kermis, met olie- en vetvlekken en andere beschadigingen , en vooral met een maniakaal-krankzinnige herrie die een hele woonwijk een week lang psychisch onbewoonbaar kan maken, zal wel voor eeuwig in de burocratische hooiberg onvindbaar blijven.En dat alles voor een paar extra beslastingcenten die door een wurgend opgeschroefde kermisbelasting de onderste en jongste laag van de bevolking uit de zakken wordt geklopt.
Wat een huisjesmelkersmoraal, wat een schandaal! Dit is geen kwestie van smaak meer (want er is natuurlijk niets tegen een kermis) maar van beschaving. Zoals het geen kwestie is van smaak maar van beschaving om niet in het nieuwe tafellaken je neus te snuiten (wat nog niet eens zo lang geleden gebruikelijk was.) Is dit de vrucht van de 'moet-kunnen'-cultuur? Zijn er werkelijk niet genoeg zinnige bestuurders in Amsterdam die kunnen verhinderen dat de gemeente zijn neus in zijn eigen nieuwe tafellaken snuit?
Onlangs las ik bij Simon Schama dat deze stad in de Gouden Eeuw goed bestuurd werd. Jeminee, dacht ik, dat kan dus ook.

 

Dit stuk werd voltooid op 5 april 2001, de dag dat geheel onverwacht Rob Stolk stierf. Hij was een van de grote gangmakers van de provobeweging, die in 1966 in de kelder van mijn huis onderdak vond. Het is aan hem opgedragen en werd op Dodenherdenkingsdag (4 mei) in het NRC Handelsblad in enigszins verkorte vorm gepubliceerd.
Simon Sprietsma, de pleinarchiect, staat het hier te lezen. Met zijn steun heb ik de betreffende gemeentedienst nog voorgesteld om bovenstaande alinea over de betekenis van het Plein/Monument in een straattegel vast te leggen, maar die suggestie is in burocratische onmacht verdampt.

 

 

 

OPEN BRIEF

 
Open brief aan de
Rotterdamse imam Khalil El Moumni
Amsterdam, 22 juni 2001

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geachte heer El Moumni,

Uw open brief aan minister Van Boxtel (in Trouw van 21 juni) lees ik als een belangrijk document. En ook als een ontroerend moment in het 'multiculturele drama' dat wij gezamelijk beleven en opvoeren. ( Een drama dat trouwens al zo oud is als het verhaal van Adam en Eva, zoals dat ook u, als Abrahamitisch gelovige, bekend zal zijn.)

Niemand kan zijn geboortegrond zelf uitkiezen - gelukkig maar, anders zou er uit louter aarzeling over de beste plek misschien nooit meer iemand geboren worden. Dat ik per baarmoeder beland ben in dit gezegende land en u wellicht per vliegtuig maakt gelukkig geen enkel verschil. Want het eerste artikel, het kroonjuweel van onze trotse grondwet, richt zich tot
Allen die zich in Nederland bevinden
(en hopelijk vallen daaronder ook onze mededieren).
Het is het aan alles voorafgaande anti-discriminatie-artikel - en daar wil ik het met u over hebben.

Dat is nu mogelijk geworden omdat u zich voor het eerst (voorzover ik weet) in onze gezamelijke taal en in een afgerond stuk tot ons richt. Van de schitterende muziek van de arabische taal, waarin de Koran geschreven is, heb ik helaas slechts een vaag vermoeden, zodat we het met onze (niet minder schitterende) landstaal moeten doen. Dat u die gebruikt is op zich een eerbewijs aan de Nederlandse cultuur, waarvoor ik u dankbaar ben. En dat u daarbij de koninklijke (in principe voor iedereen openstaande) weg van de ingezonden brief bewandelt, neemt mij eens te meer voor u in.

Ook voor het feit dat u uw geboorteland verlaten hebt omdat het u door de Marokkaanse machthebbers verboden werd te zeggen wat u op het hart lag, heb ik een warm begrip. Daarbij bewonder ik de moed waarmee u ook in dit land vrijuit dingen zegt die anderen, in onwelriekende afzondering en stilte, alleen maar durven denken. Een moed die bijvoorbeeld scherp afsteekt bij die van uw collega-geestelijk leidsman, de katholieke bisschop van Groningen, die het op cruciale punten met u eens is, maar daar lafhartig over zwijgt.

Dit alles gezegd zijnde, moet mij van het hart dat wat u als geestelijk leidsman stelt in mijn beleving op een verschrikkelijke manier indruist tegen dat anti-discriminatie artikel. U discrimineert niet alleen tegen homosexuelen, tegen mensen als ik, maar ook tegen drie andere diersoorten op deze wonderbaarlijke planeet : tegen 'honden, apen en varkens'. Homosexuelen zouden nog lager staan dan hen: 'zij zijn als het vee, nee zij dwalen nog erger', citeert u uit uw heilige boek. (Opmerkelijk: geestelijk dwalend vee..!) 'God leert ons in de Koran dat de mens het hoogste wezen is dat op aarde vertoeft', onderwijst u ons verder. (Merkwaardig, als men bedenkt dat onder bovengenoemde diersoorten geen massamoordenaars voorkomen, zoals onder ons mensen…Wat onder die mededieren wel veel voorkomt is homosexualiteit, zoals de biologische wetenschap reeds lang en onweerlegbaar heeft vastgesteld).

Men kan zich afvragen waar deze discriminerende oerdrift (waar ook de Bijbel vol mee staat) vandaan komt. Uit de hemel, in de vorm van goddelijke openbaringen? Dat is niet te hopen voor de hemel. Of is het gewoon hysterisch macho-gedrag, een barbaarse erfenis uit de tienduizendjarige overlevingsoorlog, die 'menselijke beschaving' genoemd wordt? De evolutiebiologie kan wellicht ook hier 'de moeder van alle kennis' zijn. Als men daarvoor tenminste open staat.

Want daar gaat het om. Uw bijdrage aan het debat is daarom van groot belang, zoals ook wel bleek uit de enorme reactie erop. Van de eerste minister tot de laatste columnist. Een reactie die ook u (zoals mij) verrast zal hebben. Bij u zijn 'diepe sporen van ontsteltenis' achtergebleven, daar waar bij mij , met name door de snelle en besliste reactie van onze premier, het gevoel van veiligheid versterkt is: deze samenleving is blijkbaar waakzaam. Waakzaam tegen de eerste sporen van discriminatie, van zelfverheffing en arrogantie - het magnum opus van de duivel, de satanische oerzonde die in ons allemaal leeft (als ik het ook eens religieus mag zeggen). En die het weefsel van de samenleving tenslotte onherroepelijk zal vernietigen. Dat heeft onze ervaring met het nazisme ons wel geleerd.

Wij zullen nog lang bezig zijn het wereldtapijt van de vrede te weven, het tapijt waarbij democratie zowel schering is als inslag , democratie die zowel tussen de mensen leeft als in de mensen. Dat is ook het grote visioen van de vijf wereldgodsdiensten. Maar zij zullen op een rampzalige manier falen als zij niet bereid of in staat zijn zich naar waarheid te vernieuwen.
De vooruitzichten daarop zijn op dit moment, met een toenemend religieus fundamentalisme, helaas nogal somber. Daarom is uw deelname aan het debat niet alleen welkom, maar ook onmisbaar. Misschien wel juist omdat u de plank zo verschrikkelijk mis slaat.


Met hartelijke groeten,

Naschrift:

Deze brief, enigszins verkort, stond een week na die van de imam in Trouw. Natuurlijk heb ik er nooit een reactie op gehad. Daarvoor was de toon ook veel te soft - boeren macho-Allah verstaat alleen geweld.
Inmiddels is het 11 september geweest in de wereld, waarmee de dialoog alleen maar moeilijker is geworden. Maar gelukkig zijn er ook moslims als de Franse academicus Aberrahim Hafidi, die in Liberation schreef:

'Na 11 september is stilstaan ondragelijk. Het is niet voldoende te zeggen dat de islam hier niets mee te maken heeft. Ook wij zijn verantwoordelijk. Niet voor deze daden die in onze naam zijn gepleegd en die ons een trauma hebben bezorgd.Maar in ons onvermogen om een scheiding aan te brengen tussen geloof en politiek. Deze strijd moet door de islamitische diaspora worden gevoerd. Op de as van het WTC zullen misschien de funderingen worden gelegd van een geseculariseerde islam.'

Dit geluid hebben we in Nederland uit de moslimhoek nog niet gehoord.
In tegendeel. Een schaamteloos publiciteitsgeile nep-imam als Abdullah BeunHaselhoef verklaarde onlangs op de radio dat

' een moslim, naar mijn begrip van de Koran, het in het hypothetische geval eens moet zijn met de doodstraf voor homosexuelen die in het openbaar penetreren, mits hun daad door vier getuigen, alle betrouwbaar,word gezien.' (beide moslimleiders werden door Ephimenco in Trouw van 30 october 2001 geciteerd.)

Met imams als El Moumni en Hazelhoef kan men de dialoog eigenlijk alleen met dichtgeknepen neus voeren. Intussen wordt het iedere dag urgenter om de strikte, zwaarbevochten scheiding tussen geloof en staat, die wij in dit gezegende land kennen, met alle macht te handhaven: Je maintiendrai!

Geschrokken van de reacties in het land trok Beunhazelhoef al op 2 november in Trouw zijn dikgebreid boetekleed aan. Plotseling vond hij dat zijn pleidooi voor de doodstraf voor publiekelijk penetrerende homo's "ten diepste indruist tegen alles waarvoor ik echt wil staan" , en zegt hij nu te willen streven naar "de dialoog met andersdenkenden in een samenleving waarin kerk en staat gescheiden zijn". Hardstikke braaf allemaal, maar weinig overtuigend. Want de bron van zijn eerder geuite overtuiging zat veel dieper dan de publieke opinie op dit moment in dit land. Die bron is te vinden in oude, heilige, onaantastbare, eeuwige, door God zelf geschreven teksten, waar je je hele bestaan in onvoorwaardelijke gehoorzaamheid op gebouwd hebt. Zulk soort gehoorzaamheidsfundamenten verleg je niet eventjes van maandag op dinsdag met behulp van openbare excuses, hoe welgemeend ook. Daar is meer breekwerk voor nodig, meer moed. Sapere aude! Durf te denken!, zei Kant.
Maar al spoedig hierna bleek Beunhazelhoef een gewone hochstapler te zijn die sprak namens niemand…

 
   

DE WEDEROPSTANDING INGEJAAGD

 

De inmiddels wereldberuchte opmerkingen van de Duitse componist Karlheinz Stockhausen over het trauma van de Twin Towers, die hem in Hamburg op vier geannuleerde concerten kwamen te staan, zouden de echte kenners van zijn werk niet mogen verbazen. Tien jaar geleden, naar aanleiding van de premiere van zijn opera Dienstag aus Licht in de Amsterdamse Stopera, zei de componist dat zijn werk ging over de strijd tussen Goed en Kwaad, meer precies: 'tussen hen die de vrede willen mèt God , en hen die dat willen zónder God' - tussen theocraten en democraten dus. Er kon ook geen twijfel over zijn eigen positie bestaan: Stockhausen is een verklaarde theocraat. De scheiding tussen kerk en staat, tussen kunst en politiek, is hem een gruwel. Het had dus niemand hoeven te verbazen dat het optreden van de moslimfundamentalisten in New York hem zou inspireren om het achterste van zijn tong te laten zien.

Omdat de Nederlandse kranten verschillende versies van zijn gewraakte opmerkingen publiceerden kan men het beste een oorspronkelijke Duitse weergave ervan gebruiken, zoals die bijvoorbeeld stond in de Süddeutsche Zeitung van 19 september. Bovendien klinkt dat toch anders…

Stockhausen zei:
'Was da geschehen ist, ist natürlich - jetzt müssen Sie alle Ihr Gehirn umstellen - das grösste Kunstwerk , was es je gegeben hat.'
Waarmee al direkt het kader is aangegeven waarbinnen zijn woorden gehoord moeten worden: het modernistische dogma uit het begin van de vorige eeuw dat zegt dat alles kunst is (bijvoorbeeld: urinoir + handtekening = kunst) - een totalitaire, tirannofiele theorie, die nog steeds grote aanhang geniet onder kunstmanagers.

Om daarin mee te gaan moeten wij inderdaad eerst ons 'Gehirn umstellen', dat wil zeggen onszelf hersenspoelen. Dan zullen wij beloond worden met het inzicht
'dass also Geister in einem Akt etwas vollbringen, was wir in der Musik nicht träumen können, dass Leute zehn Jahre üben wie verrückt, total fanatisch für ein Konzert, und dann sterben.'
Met andere woorden: eigenlijk moeten de musici van Stockhausen zich schamen dat zij een uitvoering van zijn werk overleven. (Wat hij met zijn 'Helikopterkwartet' misschien nog het dichtst benaderde - men kan zich achteraf afvragen welke ramp ons indertijd boven het hoofd hing, in het Holland Festival onder van Vlijmen…) Maar om
'das grösste Kunstwerk, was es überhaupt gibt für den ganzen Kosmos'
te maken is een stanley-mesje en een paar vlieglessen heel wat efficienter dan het componeren van een zeven dagen durende 'Licht'-opera, die evenveel licht bevat als de Pravda waarheid, en waar nauwelijks nog een hond op reageert Men hoort dan ook een ondertoon van afgunst in Stockhausens woorden doorklinken.

'Stellen Sie sich doch vor, was da passiert ist',
raaskalt de componist verder.
'Da sind Leute, die sind so konzentriert auf eine Aufführung,
und dann werden 5000 Leute in die Auferstehung gejagt…
in einem Moment. Das könnt' ich nicht.
Dagegen sind wir als Komponisten gar nichts.'

'In die Auferstehung gejagt'…met deze Auschwitztaal onthult hij zijn gulden vlies: zijn fundamentalistische geloof. Zoals Paulus de gelovige Korinthiers bezwoer dat zij na hun dood 'in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin (-) onvergankelijk opgewekt zullen worden' (1 Kor. 15 :52).

 

De misdadige, miserabele kamikazemoslims in New York, en hun arme juichende moeders thuis, geloofden dat zij door de brandende poort van de Twin Towers rechtsstreeks het paradijs binnenvlogen.
Hun fundamentalistische geloofsverwant en muzieksekteleider Karheinz Stockhausen, heeft daarover in Hamburg woorden gesproken die hij, ondanks wanhopige pogingen daartoe, nooit meer ongesproken kan maken. Zij tonen opnieuw aan dat de componist van het monsterlijk megalomane Licht een mesjogge messias is, wiens ergste vijanden de ongelovige honden zijn.

Intussen zitten die achter de heilige geitenhoeder Bin Laden aan, en ook hier kan het Boek der Gelovigen nuttige aanwijzingen verschaffen.
In Genesis 4 wordt verteld hoe Kain zijn broer Abel uit wrok en ressentiment doodslaat. Hij wordt 'een zwerver en een vluchteling op de aarde' en is bang dat 'ieder die mij aantreft mij zal doden'. Maar God zegt: 'Geenszins; ieder die Kain doodt zal zevenvoudig boeten', en Hij beschermt hem met het befaamde Kainsteken. Daarop verschuilt Kain zich en gaat hij wonen 'in het land Nod, ten oosten van Eden'. Inderdaad, in Afghanistan! (Want Eden is het tegenwoordige Irak.)
Erop af, Nato! Pak hem, broeders! Ook al is de God van Karlheinz en Kain bin Laden daar falikant op tegen. Maar als zij eenmaal in de wederopstanding gejaagd zijn hebben zij alle tijd om alles eens rustig samen uit te praten.

(22/11/01)

 

 

TRIAS MUSICA

De Noten/Bananen/Tomaten - Republiek


De Notenrepubliek omvat het gehele gebied van het musiceren. Net als in een moderne democratie bestaat in dat virtuele rijk een scheiding der machten : de Uitvoerende macht van de podiummusici, de Wetgevende macht van de componisten, en de Juridische macht van de critici/musicologen. Tezamen vormen zij de Trias Musica.

Iedere musicus moet daarin de plaats vinden die het best bij zijn talent past. Dat is vooral bij jonge talenten vaak niet meteen duidelijk - zij kunnen nog alle kanten op, juist vanwege hun talent. Maar om latere existentiële teleurstellingen te voorkomen moeten zij tijdig kiezen. Bekend is bijvoorbeeld dat Leonard Bernstein, in de laatste fase van een stralende wereldcarrière als dirigent, geplaagd werd door diepe twijfels over zijn keuze en over de uiteindelijke betekenis van zijn compositorische arbeid, waar hij, naar eigen oordeel, te weinig tijd en concentratie aan gaf.
En ook een megatalent als Boulez heeft het herhaaldelijk betreurd dat zeventig procent van zijn composities tot nu toe onvoltooid is gebleven, en als 'work in progress' in de wereld staat.
De uitvoerend componist loopt het gevaar op het podium een applausverslaving op te doen die hem ongeschikt maakt voor het eenzame scheppende werk. De eisen die tegenwoordig vanuit beide 'machten' gesteld worden zijn zo hoog dat (behalve in de popmuziek) niemand daar meer aan kan voldoen en specialisatie geboden is.

Maar afgezien hiervan is het ook principieel de vraag of componisten wel de aangewezen personen zijn om hun eigen werk uit te voeren, al denkt men traditioneel dat 't zo hoort. Maar een levensvatbare compositie moet tenslotte boven de componist uitstijgen en een vehikel worden waarin geheel verschillende muzikale persoonlijkheden zichzelf kunnen uitdrukken, in hun relatie tot de compositorische wetten die de componist in zijn noten (en alleen daar) heeft vastgelegd. Alleen als dat mogelijk is kan een compositie over vele generaties heen zijn geldigheid behouden en tot ver in de toekomst reiken. Want een geslaagd kunstwerk bevat altijd meer dan de maker bevroedt.

Bovendien is, behalve het vinden van de juiste noten, de grootste voldoening van het vak misschien wel de ervaring dat een geliefd musicus er in slaagt spontaan zijn eigen persoonlijkheid met behulp van de aangeboden noten tot uitdrukking te brengen. Het gaat hier om een bijna mystiek geesteshuwelijk ('a marriage of minds' ) dat levenslang kan duren en, zoals alles in de kunst, inderdaad om de liefde draait. Niemand zegt 'ik respecteer Beethoven', zelfs niet 'ik bewonder Beethoven'. Men zegt 'ik hou van Beethoven'.

Een componist mag van geluk spreken als hij tijdens zijn leven zo'n band met een uitvoerend musicus meemaakt. Ik heb dat enige malen ervaren, maar nooit zo sterk, zo langdurig en zo consistent als met Hans Vonk.
Toen hij me vroeg om voor zijn orkest in St.Louis (na een uitvoering van De Hemel) een nieuw stuk te schrijven, wist ik meteen wat ik doen moest. Het werd Arch Music for St Louis, en ik liet mij inspireren door de tweehonderd meter hoge, zilverstalen boog van Eero Saarinen, die het stadsbeeld domineert.

Zoals aartsleugenaar 'zeer leugenaar' betekent, en aartsbisschop 'zeer bisschop', betekent arch music voor mij: zeer muziek: zeer ritme, zeer melodie, zeer expressie. - zoals alleen muziek dat kan.
Ik droeg het werk op aan de maestro, en zo werd het voor mij een vijftien minuten overspannend symbool van een onverbrekelijke, tot in de wolken reikende muzikale vriendschap. Het is daarmee, denk ik, ook een teken van een natuurlijke en vruchtbare verhouding tussen de Uitvoerende en de Wetgevende macht.

Die verhouding is lang niet altijd evenwichtig, met kwalijke gevolgen voor een vruchtbaar muziekleven. Met name in Nederland - land zonder eigen wereldcomponist - is de verhouding tussen Uitvoerende en Wetgevende macht zeer uit balans. Wij zijn een uitvoeringsland, een Willem Mengelbergland. Overal wordt hier de Uitvoeringsmacht bejubeld, naar de ogen gekeken, met prijzen overladen. Dat geeft aan het overigens actieve en bloeiende Nederlandse muziekleven zo'n gehoorzame, weinig authentieke,ja zelfs dilettanterige bijsmaak. Alles is goed, als we het maar niet zelf bedacht hebben.

De oorzaak van ons nationale muzikale zwaktebod ligt bij het falen op dit punt van de Juridische macht - de derde macht in de Muziekrepubliek. Het is of onze critici gezamenlijk over deze misstand heenslapen. De totalitaire dominantie van de Uitvoerende macht over de Wetgevende, met alle glamour en het gedrang van platenmaatschappijen vandien, wordt daarmee de gewoonste zaak van de wereld. Voor het muzieklievende volk, dat aan deze bedwelmende misstand verslaafd is geraakt, zet het 'Witte Huis' de toon, en niet het 'Congres', terwijl toch iedereen weet dat de Wetgevende macht de hoogste is.

Daarom biedt de overstap naar de Juridische macht, die sommige componisten gemaakt hebben door criticus te worden, hier geen soulaas. Integendeel, het lijkt wel of niets zo snel veroudert als de dagbladmening van eigentijdse componisten over hun mededingers. Men leze nog eens het doodsoordeel van Matthijs Vermeulen of van Willem Pijper over de 'neo-classieke' Strawinsky - toen al een totaal nutteloze en achterhaalde mening. ( In onze tijd speelt de links-modieuze criticus en vrijetijdscomponist Elmer Schoenberger die rol, geplaagd als hij wordt door wat Stephen J.Gould 'the bias of progress' noemt, terwijl hij zucht onder het stigma 'erger dan Schoenberg is Schoenberger!'.)

Talenten die de scheiding der machten niet respecteren, universele genieën en arrogante alleskunners, bevorderen de endemische intellectuele corruptie
en maken van iedere Notenrepubliek een Bananenrepubliek. Dan wordt het
tijd om in onze Heilige Fruithallen weer eens aan de tomaten te denken die indertijd de notenkrakers inspireerden…
(februari 2002)

 
 

Naschrift:

Dit stuk werd geschreven op verzoek van Preludium, het huisorgaan van het Concertgebouworkest, als toelichting bij de uitvoeringen van Arch Music for St. Louis op 7 en 8 maart 2002, onder leiding van Hans Vonk. Het verscheen in het maart-nummer van dat blad - echter zonder de passage over Elmer Schoenberger. Ik had die op verzoek van de redactie weggelaten. Voor het argument dat het niet erg fijngevoelig is een regelmatige medewerker in eigen blad onderuit te halen, kon ik wel begrip opbrengen. Maar, toeval of niet, bij het ter perse gaan van deze tekst publiceerde Schoenberger in zijn vaste rubriek Het gebroken oor in Vrij Nederland (16/2/02) een beschouwing over werk en compositieklas van mijn leraar Kees van Baaren, waarbij hij mij, met de beproefde Stasi-techniek van de Wendehals, routineus uit het groepsportret wegretoucheerde. Een duidelijk geval van corruptie..
Gelukkig maar dat er Internet is!


© Peter Schat info@peterschat.nl
© design pietje@nnw.nl